Prinsesjes en carnavalstoestanden #4 Weigering te buigen

Toen er voor de tweede keer maagdelijke meisjes uit het hele land naar het paleis werden gebracht, deed Mordechai dienst in de poort van het paleis. Daar hoorde hij twee verbitterde poortwachters van het paleis een samenzwering beramen om de koning vermoorden. Hij vertelde dit aan Esther, de koningin, en Esther zei het tegen de koning namens Mordechai. Toen de zaak onderzocht en waar bevonden was, werden de twee samenzweerders aan een paal opgehangen. Dit feit werd in het koninklijk kroniekboek opgetekend. Een tijd later werd Haman, de zoon van Hammedata, uit de familie van koning Agag, {Koning Agag van Amalek was ooit door Israël verslagen en toen door de profeet Samuel gedood (lees 1 Samuel 15). Daarom haatte Haman de Judeeërs. } door koning Ahasveros tot minister-president gemaakt. Daarmee werd Haman de belangrijkste man aan het hof.
Alle dienaren van de koning maakten een zeer diepe buiging wanneer Haman passeerde, want zo had de koning het bevolen. Maar Mordechai weigerde te buigen en hem eer te bewijzen omdat hij Judeeër was en als Jood enkel voor God mocht buigen.

Dat moet er ons toe herinneren dat zij die van God houden er op toe moeten zien dat zij geen hogere eer brengen aan personen of zaken in de plaats van aan God, Die de allerhoogste eer toebehoort.

Toen Haman zag, dat Mordechai voor hem de knieën niet boog, noch voor hem neerviel, werd hij vol gramschap. Daarom besloot hij niet alleen Mordechai te straffen, maar ook hard op te treden tegen diens volk, de Joden. Hij wilde alle volksgenoten van Mordochai (Joden) in Ahasveros’ rijk uitroeien!
In de eerste maand, dat is de maand Nisan, van het twaalfde regeringsjaar van Ahasveros bepaalde men wat de meest geschikte tijd voor deze actie was. Daartoe wierp men het lot, ook wel ‘pur’ genoemd. Het lot gaf de laatste maand, twaalfde maand, dat is de maand Adar, van het volgende jaar aan als de beste tijd.

Haman kon de koning overtuigen dat het Judese volk zijn eigen wetten had die anders waren dan de wetten van de andere volken. Hij beweerde dat dat volk houdt zich ook niet aan Ahasveros wetten hield en daarom het niet goed zou zijn als hij dat volk in leven zou laten. De koning keurde het plan om de Judeeërs te vernietigen goed. Hij nam, om zijn besluit te bevestigen, zijn zegelring van zijn vinger en gaf die aan Haman, de jodenhater.

Ijlboden brachten de kennisgeving van de verordening naar alle gewesten van het rijk. Omdat elk volk het moest horen, werd overal dit bevel bekend:

“Alle Joden (jong en oud, ook vrouwen en kinderen) moeten worden gedood op de dertiende dag van de twaalfde maand van het volgende jaar. Hun bezittingen mogen in beslag worden genomen.”

Toen Mordechai hoorde wat er was gebeurd, scheurde hij zijn kleren, kleedde zich in een zak en strooide as op zijn hoofd als teken van zware rouw. Zo liep hij luid jammerend door de stad.

Het as op het hoofd gooien kan aansien worden als de te kennisgeving van onze nietigheid en als teken van besef dat wij tot stof en as zullen terugkeren.
De katholieken herdenken dan op Aswoensdag het feit dat wij als mens zullen vergaan. Het valt echter op dat zij dan toch nog wel in een afzonderlijke ziel in de mens geloven die na de dood dan naar de hemel, een vagevuur of een hel zou gaan, waarbij zij dan vergeten dat er volgens de Schrift een Laatste Oordeel zou plaatsgrijpen. Maar als iedereen bij de dood al naar één of ander plaats zou gaan, moet men de vraag stellen wie er dan nog be- of veroordeeld kan worden.

In alle gewesten of provincies waar het besluit van de koning bekend was geworden, verkeerden de Joden in diepe rouw. Zij vastten, huilden en jammerden. Velen sliepen op een bed, gemaakt van zakken en as. en dat is wat wij nu in herinnering aan dat gebeuren kunnen doen. Dat vasten als een teken voor wat kwaad over Gods Volk al meermaals is gekomen.

Mits Esther al dertig dagen niet meer bij de koning was ontboden durfde zij de koning niet aanspreken over deze beangstigende toestand voor haar volksgenoten. Alle dienaren van de koning en ook de bewoners der koninklijke provincies weten, dat iedere man of vrouw, die ongeroepen bij de koning in de binnenhof komt, volgens de wet moet sterven, tenzij de koning hem als teken van begenadiging de gouden scepter toereikt.

Esther liet aan Mordechai zeggen:

“Roep alle Joden uit Susan bij elkaar en vast voor mij. Eet of drink niet gedurende drie dagen en nachten. Mijn dienaressen en ik zullen hetzelfde doen. Daarna zal ik, ondanks het verbod, naar de koning gaan. Als ik dan moet sterven, dan zij het zo.”

Met ons vasten kunnen wij niet enkel mee voelen wat er in Esther omging maar ook met de angst die het Joodse volk moest trotseren.

Op de derde dag trok Esther haar mooiste kleren aan en waagde het om naar het binnenplein van het paleis, waar zij voor de ingang van de troonzaal bleef staan. De koning zat op zijn troon tegenover de ingang van de zaal, waardoor zijn blik op koningin Esther in de binnenste voorhof viel. Meteen verwelkomde hij haar en reikte haar zijn gouden scepter. Esther kwam daarop dichterbij en raakte de spits van de scepter aan, waarop de koning haar vroeg

Wat is er, koningin Esther, en wat begeert of wenst gij?
Al was het de helft des koninkrijks, het zal u gegeven worden.

Hierop gaf Esther te kennen dat zij de koning met Haman wenste uit te nodigen om naar de feestmaaltijd te komen die zij  voor hem had klaargemaakt. De koning wendde zich hierop tot zijn dienaren en zei

“Ga vlug Haman halen.”

Zo kwam de koning met Haman aan de maaltijd die Esther bereid had.

Haman had in zijn omgeving verteld over de luister van zijn rijkdom, zijn vele zonen en over alles waarmee de koning hem had grootgemaakt en waarmee hij hem had verheven boven de vorsten en dienaren van de koning. Voorts pochte Haman:

Zelfs heeft de koningin Esther nevens de koning niemand dan mij tot de maaltijd die zij bereid heeft doen komen. Ook tegen morgen ben ik weer door haar met de koning genodigd.

Maar hij liet ook weten dat hij er niet van kon genieten zolang hij die Judeeër Mordechai in de poort van het paleis zag zitten. Zijn vrouw Zeres en zijn vrienden gaven hem de raad een hoge galg te bouwen van wel 50 el (25 m).

“Vraag de koning morgenochtend of Mordechai daaraan mag worden opgehangen,”

zeiden zij.

“Daarna kun je vrolijk feestvieren met de koning op Esthers diner.”

Haman vond dit een prachtig plan en liet onmiddellijk een galg maken. Toen hij juist van plan was de koning te vragen of hij Mordechai mocht ophangen aan de pasgebouwde galg, vroeg de koning:

“Wat kan ik doen voor iemand aan wie ik graag eer wil bewijzen?”

Met zijn trots dacht Haman bij zichzelf dat hij wel de enige was aan wie de koning eer zou willen bewijzen. Vervolgens zei hij

De man aan wie de koning eer wil bewijzen — wel, dat men hem een koninklijk gewaad brengt, waarmede de koning bekleed is geweest, en een paard waarop de koning gereden heeft en op welks kop een koninklijke kroon heeft gestaan, en voor zijn aanschijn moet men uit roepen:

zó wordt nu gedaan aan de man aan wie het de koning behaagt eer te bewijzen!

Haman moet wel geschrokken zijn toen hij de koning hoorde zeggen

“Haal snel de kleren en het paard. Doe wat u hebt gezegd bij de Jood Mordechai. Hij bevindt zich bij de paleispoort. Doe precies wat u hebt voorgesteld.”

Na afloop van dit eerbetoon ging Mordechai terug naar zijn werk maar Haman haastte zich diep vernederd naar huis. Later kwamen dan  de koning en Haman met koningin Esther maaltijd houden. Toen ze na het eten wijn zaten te drinken, zei de koning ook deze tweede dag tegen Ester:

“Wat wil je me vragen, koningin Ester? Vraag wat je wil, en ik zal het je geven. Al is het de helft van mijn koninkrijk.”

Eindelijk kwam de koningin met haar vraag voor de dag en liet weten dat als hij  haar een gunst wilde bewijzen

“dat men mij dan op mijn vraag mijn leven zal geven, en op mijn verzoek het leven van mijn volk.”

Zij liet de koning weten dat haar volk en en zij verkocht waren aan degenen, die hen wilden uitroeien.

“Wij zijn gedoemd te sterven. Waren wij als slaven verkocht, dan had ik misschien gezwegen.”

zei z, en vervolgde

“Hoewel ook in dat geval uwe majesteit onmetelijke schade zou worden toegebracht; een schade die door geen enkel geldbedrag te vergoeden is.”

De koning wist klaarblijkelijk niet waarover zij het had en verbaasde zich.

“Wie durft het in zijn hoofd te halen jou iets aan te doen?”

Ester antwoordde:

“Die onderdrukker, die vijand, is Haman, die schurk daar.”

waarop Haman van schrik ineen kromp  voor de blik van de koning en de koningin. De koning liep woedend weg, de tuin van het paleis in. Maar Haman bleef bij de koningin staan om haar te smeken zijn leven te redden. Want hij begreep wel dat de koning vastbesloten was hem hiervoor te laten doden. Het onheil was over hem besloten toch trachtte hij Esther te vermurwen. In diepe wanhoop viel hij neer op het rustbed waarop koningin Esther lag, juist op het moment waarop de koning uit de paleistuin terugkwam.

“Wat?”

bulderde de koning.

“Durf je ook nog de koningin in mijn paleis, onder mijn ogen te verkrachten?”

Nadat de koning de veroordeling had uitgesproken, bedekte men Hamans gezicht.

Harbona, een der kamerlingen, zei tot de koning:

“Zie, de paal die Haman heeft doen maken voor Mordechai, die een heilzaam woord voor de koning gesproken heeft, staat, vijftig el hoog, bij Hamans huis.”

Zo werd Haman opgehangen aan de paal, die hij voor Mordechai had opgericht. Toen eerst bedaarde de woede van de koning en nog diezelfde dag gaf hij alles aan Esther wat van Haman, de vijand van de Judeeërs, was geweest. En hij liet Mordechai naar het paleis komen. Want Esther had de koning verteld dat hij als een vader voor haar had gezorgd. De koning deed de zegelring af die hij Haman had afgenomen en gaf die aan Mordechai. En Esther gaf Mordechai het beheer over Hamans bezittingen.

Op haar knieën onder tranen smeekte zij koning Ahasveros Hamans vreselijke plan tegen de Joden te verijdelen. Koning Ahasveros zei tegen koningin Esther en de Judeeër Mordechai:

“Ik heb het huis van Haman aan Esther gegeven. Haman heb ik aan de galg laten ophangen omdat hij dit plan tegen de Judeeërs had bedacht. Maar het is onmogelijk om een bevel waar mijn naam onder staat en een stempel van mijn zegelring op zit, ongedaan te maken. Bedenk nu wat jullie het beste lijkt voor de Judeeërs. Schrijf dat op met mijn naam eronder en zet er een stempel op met mijn zegelring.”

Onmiddellijk werden de secretarissen van de koning ontboden; dat was op de drieëntwintigste dag van de derde maand. Mordechai dicteerde hun brieven aan de Joden, de gouverneurs en andere regeringsvertegenwoordigers van alle 127 gewesten, van India tot Ethiopië. Voor elk volk, ook voor de Joden, werden de brieven geschreven in hun eigen taal, uit naam van koning Ahasveros, verzegeld met zijn zegel en met koeriers verstuurd.

In de brieven stond dat de Judeeërs toestemming kregen om zich in alle steden te verzamelen en zich te verdedigen. In alle provincies mochten de Judeeërs iedereen doden die hen zou aanvallen. Ook de vrouwen en kleine kinderen van hun aanvallers mochten ze doden. En ze mochten alles wat van hun vijanden was geweest, als buit hebben.
Dit gold voor één dag in alle gewesten van koning Ahasveros, voor de dertiende dag van de twaalfde maand, dat is de maand Adar. Zo zouden de Judeeërs zich op deze dag kunnen voorbereiden en wraak kunnen nemen op hun vijanden. De Judeeërs hadden nieuwe hoop gekregen. Ze waren blij en iedereen was bang voor hen. Buiten zichzelf van blijdschap gaven zij een feestmaal en riepen die dag tot feestdag uit. Talloze mensen deden alsof zij Joden waren of sloten zich aan bij hun geloof, uit angst dat de Joden hun iets zouden aandoen.

De dag brak aan waarop de twee besluiten van de koning van kracht werden. De vijanden van de Joden hadden gehoopt hen die dag te kunnen vermoorden. Maar de rollen werden omgekeerd: de Joden overweldigden hun belagers! In alle steden in alle provincies van het koninkrijk van koning Ahasveros verzamelden de Judeeërs zich. Ze doodden iedereen die hen iets wilde aandoen. En niemand kon tegen hen op, want iedereen was bang voor hen geworden.

Esther vroeg nog meer en wenste dat de koning de Judeeërs die in Susan woonden de volgende dag dat ook nog mochten doen in die stad. De koning gaf bevel dat het zo moest gebeuren. Er kwam een wet dat de Judeeërs in Susan zich de volgende dag ook nog mochten verdedigen. En de tien zonen van Haman werden opgehangen. Ze doodden in Susan nog 300 mannen. Maar ze wilden geen buit meenemen, zoals zij ook niet deden op andere plaatsen

De Joden die in Susan waren, verzamelden zich op de dertiende en op de veertiende van die maand en zij rustten op de vijftiende ervan en zij maakten die tot een dag van maaltijden en van blijdschap. Dit maakt dat wij dus meerdere dagen in herinnering kunnen nemen voor die ‘lotsbepaling’ of Purim (Poerim) oftewel Lotenfeest of Feest van Esther .

De Joden, die niet in een ommuurde stad wonen of op het platteland wonen, vieren nu nog jaarlijks de tweede dag als feestdag. Dat is een blijde dag waarop zij elkaar geschenken sturen.

En eerlijk gezegd treuren wij daar niet om en vinden het nog steeds leuk om geschenkjes te krijgen, zoals velen met Kerstmis geschenken uitdelen.

+

Voorgaande

Prinsesjes en carnavalstoestanden #1 Aalst Carnaval 2019

Prinsesjes en carnavalstoestanden #2 Fiere meisjes

Prinsesjes en carnavalstoestanden #3 Lente-gebeuren

Advertenties

3 gedachten over “Prinsesjes en carnavalstoestanden #4 Weigering te buigen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.